Dokter Larijweg 21 - 7961 NL Ruinerwold

Geschiedenis

De landerijen rond het Drentsche dorpje Ruinerwold waren in vroeger tijden in gebruik door boerenbedrijven; keuterboertjes en herenboeren. De verschillen waren groot.
Aan het eind van de zeventiende eeuw (± 1680) leefde het vermogende boerengeslacht Karsten in een grote Saksische boerderij. Tot 1841 hebben zij daar gewoond en gewerkt.
In 1925 werd de Dokter Larijweg aangelegd, als vervanging van de smalle weg met  “vonders”; zogenoemde kleine bruggetjes over de sloten.
Duizend hoogstam perenbomen werden bij die gelegenheid langs de weg geplant. De bloeiperiode is ieder voorjaar weer een feest. Op de eerste zaterdag in oktober wordt de rijke oogst bij opbod verkocht.

De museumboerderij beschikt over een indrukwekkende collectie gebruiksvoorwerpen, kleding, huisvlijt en landbouwwerktuigen.

  • De Karstenhoeve

    Gedurende de eerste vier decennia van de twintigste eeuw was er op het Drentse platteland niet echt veel verandering te bespeuren. Natuurlijk, er werd het een en ander gebouwd en het gebruik van verbeterde werktuigen was zichtbaar, maar echt ingrijpend was het niet.

    Deze aarzelende veranderingen, mede het gevolg van de eerste wereldoorlog en de geweldige crisis in de dertiger jaren, vormden een bijna wetmatige garantie voor het handhaven van het Drentse volkskarakter. En dat kan ook worden gezegd van de landschappelijke structuur alsmede van de erop staande gebouwen.

    Van die gebouwen waren de oude boerderijen van een bijzondere schoonheid en zij behoorden tot de meest schilderachtige van ons land. Echter, al vrij snel na de tweede wereldoorlog kwam de ontsluiting van het platteland op gang en nieuwe landbouwmethodes werden ingevoerd. En, hoewel het woord schaalvergroting in de vijftiger jaren nog niet werd gebruikt, datgene wat het gevolg ervan is, werd duidelijk zichtbaar.

    Vele oude boerderijen werden verbouwd of werden wegens ouderdom afgebroken. Het provinciaal bestuur van Drente had veel oog voor de desastreuze gevolgen van dit proces en verstrekte subsidies voor de restauratie van oude boerderijen om daarmede een kentering in deze ontwikkeling te kunnen bewerkstelligen.

    Mr Dr. W. S. Gelinck- burgemeester van Ruinerwold van 1934 tot 1968 - maakte van deze geboden mogelijkheid gebruik, toen in 1953 de boerderij van “mej.de wed.A.Pluim-Holland” kon worden aangekocht. Deze in het begin van de zeventiende eeuw gebouwde boerderij moest grondig worden hersteld, alvorens gesproken kon worden van de museumboerderij, zoals die volgens de planvorming er uit zou moeten zien.

    Burgemeester Gelinck was, zowel uit cultuur-historisch gezichtspunt alsook vanwege de doelstelling meer vreemdelingenbezoek in de gemeente te realiseren, zeer enthousiast. Zijn medebestuurders waren echter zeer verdeeld en er moesten zelfs twee vergaderingen aan worden gewijd, eer de gemeentelijke aankoop een feit kon worden genoemd.

    Enkele citaten uit de notulen van de twee op 29-5-1953 en 19-6-1953 gehouden vergaderingen illustreren duidelijk de tweespalt binnen de raad en het college van burgemeester en wethouders.

    “De voorzitter merkt op, dat deze boerderij in het bijzonder wat het interieur betreft een voorbeeld is van oude architectuur ten plattelande” Maar hoe vurig zijn pleidooi ook is, enkele leden van het gezelschap blijven de vraagprijs van fl.17.500, - te hoog vinden. Een tweetal bestuurders schiet hem te hulp. De heer Alberti acht het van groot belang, “dat een stukje oude cultuur bewaard blijft”. Hij vindt dat van veel groter belang, dan het “beoogde vreemdelingenbezoek”, waar de heer Pol de nadruk op legt.

    Hoe het ook zij, men komt er tijdens deze zitting niet uit en zelfs niet, nadat deze achter gesloten deuren wordt voorgezet. In de daarop volgende vergadering, die van de negentiende juni, blijkt de heer Alberti wederom een warm pleitbezorger voor de aankoop te zijn en na stemming wordt het voorstel de uit 1614 stammende boerderij aan te kopen voor een bedrag van fl.15.000 aangenomen met acht stemmen voor en drie tegen.

    Niet lang daarna konden Mr Dr.Willem Sebastiaan Gelinck en mej. Aaltje Holland ten overstaan van notaris Jan Snippe te Meppel de akte van aan- en verkoop laten opmaken.

    De restauratie van de boerderij, welke door de heer L.Schipper uit Ruinerwold werd gerealiseerd, vergde tenslotte nog eens een bedrag van fl.50.000, -. Met dit bedrag kon het voorhuis in zijn oude glorie worden hersteld en kon het achterhuis in de oorspronkelijke vorm worden gegoten.

    Bij de inrichting van het boerderijmuseum werd alle steun verkregen van rijk, provincie, gemeente en particulieren, zodat zowel door geschenken als ook door bruikleen en koop een aardige inventaris kon worden bijeengebracht voor die boerderij, die later- zoals uit het navolgende zal blijken- om begrijpelijke redenen “ de Karstenhoeve” zal worden genoemd.
  • Willem Kersziens, waarschijnlijk de eerste eigenaar-bewoner

    Nadat de gemeente de boerderij had aangekocht, werd de in het voorgaande reeds gememoreerde restauratie snel ter hand genomen en tijdens deze werkzaamheden werd een dorpel gevonden, waarop met verf het jaartal 1614 was aangebracht. Aannemelijk is het derhalve dat de bouw van de boerderij in het eerste kwart van de zeventiende eeuw moet hebben plaats gevonden. En wellicht zelfs in opdracht van ene Karsten, waarvan de naam destijds echter anders werd geschreven. Een en ander kan als volgt plausibel worden gemaakt:

    In het jaar 1630 werd de belasting, welke destijds werd geheven op de te malen hoeveelheid graan, omgezet in een hoofdelijke belasting. Dit betekende dat het hoofd van een huishouding voor elk gezinslid dat ouder was dan één jaar een bepaald bedrag moest betalen en in de Kale Buurschap moest dat ook worden gedaan door Willem Kersziens.

    Enige tijd daarna, in 1640 om precies te zijn, geven de Staten Generaal opdracht aan het bestuur van “ De Landschap Drenthe ” om een grondbelasting te gaan heffen en ten behoeve van de uitvoering daarvan werden tussen 1642 en 1654 lijsten opgesteld, waarop de omvang en de waarde van de onroerende goederen werden vastgelegd.

    Ook in deze lijsten komt de naam Kersziens voor en wel een zestal keren, namelijk die van Wolter, Hendrik, Coop, Pieter, Jan en tenslotte die van Willem Kersziens, welke in de Kale Buurschap woont. Van deze zes is Willem ook de laatst genoemde op de lijsten en dit is een belangrijk gegeven, omdat de tellingen - voor welk register dan ook- plaats vonden vanaf het Oosteinde en zij liepen via de Ruige- en de Kale Buurschap naar Haakswold.

    In deze periode heeft Willem Kersziens in de Kale Buurschap als buurman Berend Jans, die dit overigens in 1630 ook al was. Wolter Gort en ene Jacobs waren eveneens directe buren van Willem.

    Wanneer dan in 1672 voor de eerste keer het haardstedengeld wordt geheven- hierover zal later nog uitvoerig worden bericht- komen wij op hetzelfde adres Carsijn Coops tegen met als buren twee zonen van de hierboven genoemde heren Gort en Jacobs. Carsijn Coops wordt overigens in latere registers- 1691,1692 en 1693- geschreven als Carst Coops.

    Het vergelijk met betrekking tot de vraag wie de naaste buren van wie zijn en de consistentie aangaande het antwoord daarop, maken het mijns inziens verantwoord om te concluderen, dat Willem Kersziens de eerste bewoner is geweest.

    Maar terug naar de al genoemde Carsijn Coops. Wie is hij en hoe komt hij in de Kale Buurschap ofwel de Kale Kluft terecht.

    In het jaar 1630 woont in de Ruige Buurschap een zekere Coop Kersziens en daar namen dikwijls verschillend werden geschreven, is de veronderstelling, dat de in 1641 vermelde Coop Carsz en de in 1654 voorkomende Coop Carsijens en Coop Kersziens een en dezelfde persoon zijn, mogelijk de juiste en is de al genoemde Carsijn Coops de zoon. Nu is het mogelijk, dat deze Carsijn Coops op de boerderij van zijn oom Willem is gaan wonen, omdat deze niet getrouwd is geweest dan wel een kinderloos huwelijk heeft gekend of wellicht vroegtijdig is gestorven.

    Zeker is, dat het deze Carsijn Coops is geweest, die later met Pietertien Hendriks in het huwelijk is getreden en dat uit dit huwelijk Coop Carsies werd geboren. Overigens, Pietertien Hendriks was een kleindochter van Jan Snoeck Benthem en Pietertijn Luitgens uit Havelte. Via de laatste kwam de naam Pietertien in de familie Karsten.

    In 1704 komt Coop Carsies voor in het register van de ”Roerend Grondschattinge”, waarin hij verklaart 1400 carolus-guldens te bezitten aan liggend geld en allerhande capitalen en in 1705 is dat al meer dan verdubbeld en wel tot 1500 guldens aan liggend geld en 1400 guldens aan obligatiën. Coop zelf is één van de ondertekenaars van beide lijsten.

    Deze Coop Carsies is vanaf 1707 momber ( voogd) en later, vanaf 1726, hoofdmomber over de kinderen van zijn overleden broer Jan Coops Carsies. Ook wordt hij namens de Kale Buurschap op 14-12-1719 atte.

    Daartoe gerechtigde personen konden per buurschap uit hun midden een atte benoemen. De atten vormden samen met de schulte een lager rechtscollege, dat recht sprak en boetes kon opleggen. Deze benoeming betekent, dat Coop Carsies in de buurschap vertrouwen heeft genoten.

    Van deze Coop is verder bekend, dat hij trouwde met ene Beertien Warners en dat zij tenminste drie dochters kregen, te weten Pietertien, Femmechien en Albertien. En met eerst de dood van Coop op 25 juli 1732 en daarna met die van Beertien, die op 9 juli 1754 “voor in de Boer’’ is gestorven, belanden wij in de tweede onduidelijke fase in de geschiedenis van de boerderij.

    (Rijksarchief Assen: OSA 818 en 841, AHR, deel 1, resp.folio 21,131 en 143)
  • Karst Karsten & Karst Karsten

    De in het vorige hoofdstuk aangestipte tweede onduidelijke fase begint met twee mannen met dezelfde naam .Het is zeker dat de twee op de boerderij hebben gewoond en zelfs heel lang, want in het haardstedenregister van 1742 komen wij de naam Karst Karsten tegen als bewoner en in 1804 is dat het geval met de weduwe van de laatste van de twee als bewoonster en eigenaresse.

    Aangezien de in het voorgaande hoofdstuk genoemde Coop Carsies op 25 juli 1732 overleed en de tweede Karst in 1788 is gestorven, kan worden gesteld dat de twee gedurende meer dan een halve eeuw een rol hebben gespeeld in de geschiedenis van de boerderij en in die van Ruinerwold en absoluut geen onbelangrijke, zoals hierna zal blijken.

    Maar, wie is de eerste van de twee, wanneer en waar is hij geboren en wie waren zijn ouders? Met betrekking tot deze vragen kan geen duidelijkheid worden verschaft.

    Uit gegevens aangaande het landrecht in Ruinerwold blijkt, dat hij getrouwd is geweest met Pietertien Coops. Hij procedeert namelijk in 1739 tegen zijn zwager Willem Jans en zijn schoonzuster Femmechien Coops om een bedrag van 767 guldens zijnde het restant van een afkoopsom. Femmechien zou namelijk volgens een kontrakt van 20 oktober 1728 voor 4000 carolus guldens zijn uitgekocht uit de ouderlijke boedel en daarvan zouden volgens Willem en Femmechien nog maar 3233 guldens zijn betaald.

    In het procesverslag wordt Pietertien Coops dus als echtgenote genoemd. Zij was vermoedelijk de eerste dochter van Coop Carsies en Beertien Warners en zij moet omstreeks 1700 zijn geboren, want hun zoon Karst- in dit hoofdstuk als tweede aangemerkt- wordt op 7 oktober 1720 ingeschreven in de geboorteregisters van de kerk te Blijdenstein.

    De eerste Karst is wellicht een nakomeling geweest van een van de vijf andere Carstens c.q Carsijns c.q Kersziens , die in 1654 tijdens de vastlegging van de onroerende goederen in de Ruige en Kale Buurschap hebben gewoond. In deze theorie is hij derhalve een schoonzoon van Coop en Beertien.

    Hoe het ook zij geweest, deze Karst Karsten is evenals Coop Carsieseen man van aanzien geweest, want nadat Coop was overleden, werd ook Karst namens de buurschap als atte aangesteld en wel op 28 april 1734.

    Ook zit Karst Karsten in de commissie van de schatbewaarder, die nieuw gebouwde huizen en nieuw aangemaakte landerijen moest registreren. Voor zichzelf laat hij vastleggen, dat hij een schuur heeft laten bouwen, welke daarvoor een huis was geweest en die 17 ½ voet “wiet” was. Uit het Nieuw Ommeslagen Register van 1750 blijkt voorts, dat Karst Karsten ook zakelijk een actief man moet zijn geweest, want hij krijgt er “in de ackeren en buiten de ackeren’’ grond bij.

    Hij sterft op 16 januari 1750 en laat dan waarschijnlijk zijn gehele bezit na aan zijn enige zoon Karst ; de tweede van dit hoofdstuk.

    (Rijksarchief Assen: AHR. Inventarisnumer Nr. 155. Deel 1 - OSA 858)
  • Karst Karsten en Roelofje Lucas Preuper en hun dochter Pietertje

    Karst en Roelofje komen beide uit Ruinerwold. Zoals in het vorige hoofdstuk reeds is beschreven, is Karst geboren op 7 oktober 1720 en hij is de zoon van Karst Karsten en Pietertien Coops. De op 3 april 1729 geboren Roelofje is een dochter van Lucas Alberts Proper en Hillechien Jans van de Hogt. Zij trouwen op 9 juli 1752 te Ruinerwold in een voor beiden eerste echt. Uit dit huwelijk worden drie kinderen geboren, te weten Koop op 1 april 1753, Lucas op 2 maart 1755 en Pietertje tenslotte op 7 april 1760.

    Karst Karsten is behalve actief op de boerderij ook actief op het gebied van aan- en verkopen van land; op 14 november 1783 bijvoorbeeld verkoopt hij in Havelte een stuk veengrond aan Jan Harms Smit uit dezelfde plaats. In de kerk van Blijdenstein vervult hij eveneens een functie en wel die van diaken zoals in “Ruinerwold, rondgang door het verleden” op pagina 87 valt te constateren en ook is hij een aantal keren medeondertekenaar geweest van opgestelde haardstedenregisters. Kortom een man, die op dorpsniveau een belangrijke rol heeft gespeeld.

    Koop en Lucas en dan met name Lucas, komen hierna nog uitvoerig aan de orde. Voor Pietertje is in het kader van deze geschiedschrijving van de boerderij in Ruinerwold eveneens een plaats ingeruimd. Verderop in deze verkenning zal namelijk blijken hoe belangrijk het leven van deze vrouw is geweest en welk een gewicht haar bestaan bijna honderd jaar na haar geboorte nog in de schaal zal leggen met betrekking tot de verdere gang van zaken rondom de hoeve.

    Over het hoe en waarom is het navolgende vermeldenswaard: Pietertje trouwt op 20 juni 1790 met Foppe Lucas Benthem uit Havelte. Dit huwelijk wordt met vier kinderen gezegend. De jongste van het viertal - Peter Arents, geboren op 30 november 1799- sterft reeds op jeugdige leeftijd; de andere drie worden volwassen en huwen later. Dit zijn Lucas, welke werd geboren op 17 april 1791, Karst, geboren op 20 juli 1794 en Hendrikje, geboren op 22 januari 1797. Karst trouwt met Albertje Wolters Vedder en neemt in 1826 de naam Dedden aan.

    Ook zijn reeds geboren kinderen, te weten Wolter (6 jaar), Pietertje (4 jaar), Albertje (2 jaar) en Appien (1 jaar) krijgen dan uiteraard de naam Foppen Dedden. Trouwens zijn broer Lucas en zijn zuster Hendrikje bezigen later eveneens de achternaam Foppen Dedden.

    Als op 20 maart 1805 een einde is gekomen aan het leven van Roelofje Lucas Preuper kunnen haar kinderen tot de verdeling van de ouderlijke boedel overgaan, aangezien hun vader al op 21 maart 1788 was overleden. De nalatenschap, waaraan geen titel ten grondslag ligt, wordt echter niet verdeeld.

    Pietertje wordt -zoals later zal blijken- door haar beide broers uitgekocht voor een bedrag van Fl. 5500,-- Als Pietertje overlijdt op 10 maart 1829 is deze schuld nog niet vereffend en treden haar eerder genoemde kinderen automatisch in haar rechten. Hun vader Foppe Lucas Benthem was namelijk al op 14 oktober 1814 in de leeftijd van bijna drie en zestig jaar overleden.

    Wanneer eerst Koop Karsten in 1833 komt te overlijden krijgt zijn broer Lucas Karsten de ene helft van zijn bezit en erven de kinderen van zijn zuster Pietertje de andere helft. Dit zijn dus Lucas, Karst en Hendrikje Foppen Dedden. Lucas Karsten heeft dan de zeggenschap over driekwart van de boedel en de kinderen van Pietertje over het resterende kwart.

    En als dan tenslotte Lucas op 1 januari 1841 komt te overlijden, krijgen Pietertje’s kinderen ook het al genoemde drie kwart, waardoor de zaak als het ware weer bij af is.

    Lucas Foppen Dedden verkoopt op 27 maart 1843 zijn belang aan zijn broer Karst, waardoor deze voor twee derde gerechtigd is en zijn zuster Hendrikje voor een derde. Echter, de boedel blijft onverdeeld. Na de dood van Karst Foppen Dedden op 10 november 1854 - zijn zuster was al gestorven op 23 juni 1849 - wordt de erfenis verdeeld. Hierbij is zijn dochter Pietertje betrokken evenals de kinderen van haar overleden tante Hendrikje. Hoe moeilijk deze verdeling tot stand komt, zal verderop nog blijken.

    Opgemerkt moet worden, dat datums van geboorte, huwelijk en overlijden opgetekend zijn uit kerkelijke registers. De feitelijke datums ervan liggen meestal een aantal dagen ervoor.
  • Haardstedengeld

    In de voorgaande hoofdstukken is regelmatig het woord haardstedengeld gebruikt. Maar, wat is eigenlijk haardstedengeld, wanneer werd het ingevoerd en wat is de betekenis van een vol huis? In het kort daarover het volgende:

    In een groot aantal Nederlandse gewesten werd het zogenaamde haardstedengeld geheven. Dat gebeurde wanneer een huis een haardstede, een stookplaats had. De haardstede als grondslag voor belasting maakte later plaats voor het gehele huis, maar de naam van de belasting bleef ongewijzigd.

    1672

    In 1672 werd in Drenthe voor het eerst een haardstedengeld geheven, dat door alle inwoners van de Landschap moest worden betaald. De belastinggrondslag was het aantal paarden, waarmee de boer zijn bedrijf uitoefende. In dat jaar stelde men vast dat iedere ingezetene die met vier paarden de es opging, een vol aandeel had in alle dorpslasten. Wie met twee paarden ter esse ging, had een half aandeel. Niet iedereen hoefde dus hetzelfde te betalen. Door ieder zogenaamd “vol huis”, elke vierpaards-boer, moest vier gulden worden betaald, door alle drievierendeel huizen drie gulden, door een half huis twee gulden en door een keuter een gulden.

    Hierdoor was het haardstedengeld eigenlijk een soort personele belasting, die werd geheven op blijken van welstand. Wie geen boer was werd als keuter aangemerkt en betaalde derhalve een gulden. Ook voor een ambacht, een neringdoende of een ambt werd een gulden gerekend. Een timmerman bijvoorbeeld betaalde dan twee gulden: één als keuter en één als ambachtsman. De armen, die van aalmoezen leefden, waren vrijgesteld.

    1691-1694,1742-1804

    Hoewel in 1672 was besloten het haardstedengeld maar één keer te heffen, viel in 1691 de beslissing om nogmaals te gaan heffen, aangezien de Drentse overheid geld nodig had en vanaf dat jaar werd de belasting zonder onderbreking geheven. Bovendien werd een dubbel haardstedengeld bedacht.Vier paarden kostte voortaan acht gulden. Deze verdubbeling was van toepassing in de jaren 1703 tot en met 1713 en daarna vanaf 1742. In 1742 werd tevens bepaald, dat elke tien jaar een nieuw register zou worden aangelegd. Zodoende zijn er registers van 1742, 1754, 1764, 1774, 1784 / 85 en van 1804.

    De familie Karsten

    In het haardstedenregister van 1742 komt voor het eerst in de Kale Buurschap de naam Karsten voor en wel die van Karst Karsten. In de jaren 1691 tot en met 1693 op hetzelfde adres de naam Carst Coops en in 1672 is dat dezelfde persoon, maar dan geschreven als Carsijn Coops. Vanaf het eerste jaar van de belastingheffing -in 1672 dus- is het reeds een “vol huis”.

    Na deze uitleg is het duidelijk, dat de Karstens met vier paarden al vanaf de invoering van het haardstedengeld in Drenthe tot de welgestelde families behoorden.

    In 1764 was Karst Karsten -toen geschreven als Carst Carsten- één van de ondertekenaars van het register en in 1784 was hij dat wederom. Alle jaren bleef het een “vol huis”, waarbij in 1794 en in 1804 de belasting op naam stond van de weduwe Carst Carsten.

    In 1804 was haar zoon Lucas mede-ondertekenaar van het laatst opgestelde haardstedenregister.

    (Rijks Archief Assen OSA 868 en 869)
  • Vrijgezel Koop Karsten en echtpaar Lucas Karsten en Grietje Jans Eppinge

    Koop, de eerstgeboren zoon uit het huwelijk van Karst Karsten en Roelofjen Lucas Preuper blijft ongehuwd. Hij wordt vermeld bij enkele door de beide broers gedane landaankopen en hij wordt tevens in de kadastrale gegevens van 1832 genoemd als eigenaar van bijna negen hectare hooiland op Haakswold.

    Echter, met uitzondering van de onderhandse akte d.d. 15 juni 1807, waarin hij en zijn broer hebben vastgelegd, dat zij hun zuster Pietertje voor Fl. 5500,- hebben uitgekocht uit de ouderlijke erfenis, valt er verder over Koop niet veel te vertellen. Hij sterft op 7 maart 1833 en hoewel in de officiële acte van aangifte staat vermeld, dat hij op de leeftijd van “taggentig jaar” is gestorven, moet dat uiteraard bijna tachtig jaar zijn.

    Even terug naar die akte van 1807. In de akte van successie opgemaakt op 2 september 1841 na het overlijden van Lucas Carsten wordt deze overeenkomst vermeld en de rente, welke aan Pietertje zou worden vergoed, bedroeg “drie ten honderd”. Het overeengekomen bedrag werd echter nooit aan Pietertje voldaan, zoals uit genoemde acte van successie kan worden opgemaakt.

    Wel was de jaarlijkse rente tot 1 mei 1840 betaald, zodat aan haar erven uiteindelijk nog een schuld moest worden voldaan van Fl. 5610,-, zijnde de hoofdsom en acht maanden rente.

    Over de al genoemde Lucas kan aanzienlijk meer worden vermeld. Hij is op 30 juni 1799 op vier en veertig jarige leeftijd gehuwd met de drie en twintig jarige uit Havelte afkomstige Grietje Jans Eppinge, dochter van Jan Lubbers Eppinge en Aaltje Kruit en geboren op 5 november 1775. Uit het huwelijk van Lucas en Grietien wordt op 16 juli 1800 een dochtertje, genaamd Roelofje, geboren. Dit meisje is echter al op jonge leeftijd gestorven en het huwelijk is daarna kinderloos gebleven.

    Lucas Carsten is voor Ruinerwold een man van betekenis geweest. Hij zet vaart achter de uitbreiding van de boerderij en treedt daarmee in de voetsporen van zijn vader. Zo worden bijvoorbeeld op 14 februari 1794 en op 21 maart 1794 landaankopen te Havelte gedaan en al spoedig neemt hij ook diens rol in de gemeenschap over.

    Hij wordt medeondertekenaar van het haardstedenregister van 1804 en ook plaatst hij zijn handtekening onder een opnieuw geschreven doop, trouw- en overlijdensregister van de kerk te Blijdenstein.

    Hiertoe werd overgegaan, omdat degenen, die de oorspronkelijke registraties hadden verzorgd dit zeer onzorgvuldig hadden gedaan. Zo ging men bijvoorbeeld bij de aangifte van de geboorte van een kind niet veel verder dan “Kneles vant oostende het kint Hendek”.

    Wellicht, omdat in 1825 door nabestaanden nog aanvullende informatie kon worden verstrekt, werd door schout en raden van de gemeente Ruinerwold tot deze revisie besloten.

    Hoe het ook zij, de invloed van deze persoon is niet gering geweest. Uit een registratie in “Ruinerwold, rondgang door het verleden” kan worden opgemaakt, dat hij zelfs vanaf 1819 tot 1825 als eerste wethouder van de gemeente heeft gefunctioneerd. Hoewel er nog ene L.Carsten wordt genoemd in het bevolkingsoverzicht van 1811, is het niet aannemelijk dat deze man wethouder was geworden, daar hij- zoals dat heette- behoeftig was.

    (Rijks Archief Assen: Microfilm Successie 104 en DTO Ruinerwold 2 Bladzijde 411)
  • De dienst van het kadaster en de openbare registers

    Wordt binnenkort toegevoegd...
  • Bevolkingsgegevens

    Wordt binnenkort toegevoegd...
  • Testamenten van Lucas en Grietien

    Wordt binnenkort toegevoegd...
  • De laatste Karsten

    Wordt binnenkort toegevoegd...