GESCHIEDENIS VAN DE KARSTENHOEVE

Aan het eind van de zeventiende eeuw (± 1680) leefde het vermogende boerengeslacht Karsten in een grote Saksische boerderij. Tot 1841 hebben zij daar gewoond en gewerkt.

De landerijen rond het Drentsche dorpje Ruinerwold waren in vroeger tijden in gebruik door boerenbedrijven; Keuterboertjes en herenboeren. De verschillen waren groot.

In 1925 werd de Dokter Larijweg aangelegd, als vervanging van de smalle weg met "vonders", zogenoemde kleine bruggetjes over de sloten. Duizend hoogstam perenbomen werden bij die gelegenheid langs de weg geplant. De bloeiperiode is ieder voorjaar weer een feest. Op de eerste zaterdag in oktober wordt de rijke oogst bij opbod verkocht.

De museumboerderij beschikt over een indrukwekkende collectie gebruiksvoorwerpen, kleding, huisvlijt en landbouwwerktuigen.

 
GESCHIEDENIS

TIJDLIJN

  • 1630Er kwam een nieuwe hoofdelijke belasting.

    Dit betekende dat het hoofd van een huishouding voor elk gezinslid dat ouder was dan één jaar moest betalen en in de Kale Buurschap, zoals het hier destijds werd genoemd, moest dat ook worden gedaan door een zekere Willem Kersziens.
  • 1640De Staten Generaal gaven opdracht aan het bestuur van De Landschap Drenthe om een grondbelasting te gaan heffen

    en daarvoor werden tussen 1642 en 1654 lijsten opgesteld, waarop de omvang en de waarde van de onroerende goederen werden vastgelegd. Ook in deze lijsten komt de naam Kersziens voor.
  • 1672In Drenthe werd voor het eerst een haardstedengeld geheven.

    Dat gebeurde wanneer een huis een haardstede, een stookplaats had. De belastinggrondslag was het aantal paarden, waarmee de boer zijn bedrijf uitoefende. In dat jaar stelde men vast dat iedere ingezetene die met vier paarden de es opging, een vol aandeel had in alle dorpslasten. Wie met twee paarden ter esse ging, had een half aandeel. Door ieder zogenaamd “vol huis”, elke vierpaards-boer, moest vier gulden worden betaald, door alle drievierendeel huizen drie gulden, door een half huis twee gulden en door een keuterboer een gulden. In dat jaar komen wij op dit adres Carsijn Coops tegen. Willem Kersziens was óf niet getrouwd óf kinderloos gebleven óf jong gestorven, want Carsijn was niet zijn zoon, maar waarschijnlijk een neef die op de boerderij van zijn oom is gaan wonen.

    Vanaf het eerste jaar van de belastingheffing -in 1672 dus- is het reeds een “vol huis”. Het is wel duidelijk, dat de Karstens met vier paarden al vanaf de invoering van het haardstedengeld in Drenthe tot de welgestelde families behoorden.

    Deze Carsijn Coops trouwde met Pietertien Hendriks en uit dit huwelijk werd Coop Carsies geboren.
  • 1704Coop Carsies kont voor in het register van de Roerend Grondschattinge.

    Daarin verklaart hij 1400 carolus-guldens te bezitten aan liggend geld en allerhande capitalen en in 1705 is dat al meer dan verdubbeld en wel tot 1500 guldens aan liggend geld en 1400 guldens aan obligatiën.
  • 1719Coop Carsies wordt namens de Kale Buurschap atte.

    De atten vormden samen met de schulte een lager rechtscollege, dat recht sprak en boetes kon opleggen. Deze benoeming betekent, dat Coop Carsies in de buurschap vertrouwen heeft genoten.

    Van deze Coop is verder bekend, dat hij trouwde met ene Beertien Warners en dat zij tenminste drie dochters kregen, te weten Pietertien, Femmechien en Albertien.
  • 1742In het haardstedenregister wordt als hoofdbewoner ene Karst Karsten genoemd.

    Deze Karst is wellicht een nakomeling geweest van een andere Carstens c.q Carsijns c.q Kersziens , die in 1654 in de Ruige en Kale Buurschap hebben gewoond. Wel blijkt uit gegevens van het landrecht in Ruinerwold, dat hij getrouwd is geweest met oudste dochter Pietertien.

    Hoe het ook was, deze Karst Karsten is evenals Coop Carsies een man van aanzien geweest, want nadat Coop was overleden, werd ook Karst namens de buurschap als atte aangesteld.

    Ook zat Karst Karsten in de commissie van de schatbewaarder, die nieuw gebouwde huizen en nieuw aangemaakte landerijen moest registreren. Voor zichzelf laat hij vastleggen, dat hij een schuur heeft laten bouwen, welke daarvoor een huis was geweest en die 17 ½ voet “wiet” was.
  • 1750Karst Karsten sterft op 16 januari 1750 en laat dan waarschijnlijk zijn gehele bezit na aan zijn enige zoon Karst.

    Deze werd geboren in 1720 en hij is dus de zoon van Karst Karsten en Pietertien Coops. Hij trouwt op 9 juli 1752 te Ruinerwold met Roelofje Lucas Preuper, Uit dit huwelijk worden drie kinderen geboren, te weten: Koop op 1 april 1753, Lucas op 2 maart 1755 en Pietertje tenslotte op 7 april 1760.

    Karst Karsten is behalve actief op de boerderij ook actief op het gebied van aan- en verkopen van land. In de kerk van Blijdenstein vervult hij eveneens een functie en wel die van diaken. En ook is hij een aantal keren medeondertekenaar geweest van opgestelde haardstedenregisters. Kortom een man, die op dorpsniveau een belangrijke rol heeft gespeeld.

    Koop, de oudste zoon, blijft ongehuwd.
  • 1790Pietertje trouwt op 20 juni 1790 met Foppe Lucas Benthem uit Havelte.

    Dit huwelijk wordt met vier kinderen gezegend. De jongste van het viertal - Peter Arents, sterft reeds op jeugdige leeftijd; de andere drie worden volwassen en huwen later. Dit zijn Lucas, geboren in 1791, Karst, geboren in 1794 en Hendrikje, geboren in 1797. Karst trouwt met Albertje Wolters Vedder en neemt in 1826 de naam Dedden aan.
  • 1799Lucas trouwt met Grietien Jans Eppinge, hij is dan 44 en zij 23 jaar..

    Uit dit huwelijk van Lucas en Grietien wordt op in 1800 een dochtertje, genaamd Roelofje, geboren. Dit meisje is echter al op jonge leeftijd gestorven en het huwelijk is daarna kinderloos gebleven. Lucas Carsten is voor Ruinerwold een man van betekenis geweest. Hij zet vaart achter de uitbreiding van de boerderij en treedt daarmee in de voetsporen van zijn vader. Zo worden bijvoorbeeld in 1794 diverse landaankopen te Havelte gedaan en al spoedig neemt hij ook diens rol in de gemeenschap over.
  • 1804Lucas Carsten wordt medeondertekenaar van het haardstedenregister.

    ook plaatst hij zijn handtekening onder een opnieuw geschreven doop, trouw- en overlijdensregister van de kerk te Blijdenstein. Hiertoe werd overgegaan, omdat degenen, die de oorspronkelijke registraties hadden verzorgd dit zeer onzorgvuldig hadden gedaan. Zo ging men bijvoorbeeld bij de aangifte van de geboorte van een kind niet veel verder dan “Kneles vant oostende het kint Hendek”. Het blijkt dat hij zelfs vanaf 1819 tot 1825 als eerste wethouder van de gemeente heeft gefunctioneerd. Lucas en Grietien wonen samen met broer Koop op dit adres (kale kluft huisnummer 111) en hebben hulp van 3 knechten en 3 diensbodes.
  • 1807Bij het verdelen van de erfenis van hun ouders Karst Karsten en Roelofje Lucas Preuper wordt Pietertje door haar beide broers uitgekocht.

    Ze wordt uitgekocht voor een bedrag van Fl. 5500,--.
  • 1829Pietertje overlijdt

    Deze schuld is bij het overlijden op 10 maart 1829 nog niet vereffend (wel kreeg zij jaarlijks een rentevergoeding). Haar eerder genoemde kinderen treden automatisch in haar rechten.
  • 1841Lucas overlijdt.

    Er is een einde gekomen aan het leven van de laatste Karsten, die de boerderij heeft bewoond.

    Als ook Koop overlijdt erven de kinderen van Pietertje de hele nalatenschap, bestaande uit 221 percelen en levende have, die bij publieke verkoop gezamenlijk meer dan 4000 gulden opbracht. Wat in die tijd een enorm bedrag was.

    Een week voor de verkoping trouwde de werkbode Koop Wichers die al jaren voor Koop en Lucas had gewerkt en van Koop ook nog wat had geërfd, met de dienstmeid Lubbiechien Klaas Goossens, zij hebben als pachter nog 15 jaar samen de boerderij voortgezet.
  • 1858De boerderij wordt per openbare verkoping verkocht en onder de erven verdeeld.

    De boerderij werd gekocht door Jacob harms van Veen. Hij was getrouwd met Hilligje en samen kregen zij een dochter Margje. Toen Margje 3 weken oud was overleed haar moeder en zelf werd het kind maar 12 jaar oud. Vader Jacob Harms blijft 17 jaar weduwe voor hij op 57 jarige leeftijd trouwt met Maria Smelt. Zij is naaister van beroep en 24 jaar oud. Hun eerst 2 zonen werden 4 en 1 jaar oud en stierven een maand na elkaar.
  • 1860Jabob komt te overlijden.

    Als 6 jaar later ook de 3e zoon op 9 jarige leeftijd sterft komt Maria in het volledige bezit van de boerderij. Zij is dan al hertrouwt met Wolter Hartsuiker, een kuiper uit Meppel. Samen kregen zij 5 kinderen waarvan de 1ste 3 als baby of peuter kwamen te overlijden. De laatste 2 bleven gelukkig in leven, Maria had op 39 jarige leeftijd van haar 8 kinderen er al 6 verloren.
  • 1876Wolter verkoopt de boerderij aan Arend Pluim.

    Maria had waarschijnlijk een winkeltje in het kleine huisje, bij haar dood werd haar beroep nogmaals omgeschreven als naaister.

    Arend Pluim, geboren in 1841 in Ruinerwold en zijn vrouw Niesje Mulder kregen 3 zonen, 2 ervan overleden al jong. Jongste zoon Berend trouwde met Aaltje Holland, zij kregen in 1917 een zoon die ze Arend noemden. Deze Arend overleed ongetrouwd in 1943, Aaltje bleef als enige over.
  • 1953Aaltje Puim Holland verkoopt haar boerderij aan de gemeente Ruinerwold.

    In het eerste gedeelte van de 20ste eeuw veranderde er weinig op het Drentse platteland. Er werd wel het een en ander gebouwd en het gebruik van verbeterde werktuigen was zichtbaar, maar echt ingrijpend was het niet.

    Maar al vrij snel na de tweede wereldoorlog kwam de ontsluiting van het platteland op gang en nieuwe landbouwmethodes werden ingevoerd. En, hoewel het woord schaalvergroting in de vijftiger jaren nog niet werd gebruikt, datgene wat het gevolg ervan is, werd duidelijk zichtbaar.

    Vele schilderachtige oude boerderijen werden verbouwd of werden wegens ouderdom afgebroken. Het provinciaal bestuur van Drenthe had oog voor de desastreuze gevolgen van dit proces en verstrekte subsidies voor de restauratie van oude boerderijen om daarmee een kentering in deze ontwikkeling te kunnen bewerkstelligen.

    Mr Dr. W. S. Gelinck- burgemeester van Ruinerwold van 1934 tot 1968 - maakte van deze geboden mogelijkheid gebruik, toen in 1953 de boerderij van “mej.de wed. A. Pluim-Holland” kon worden aangekocht. Deze in het begin van de zeventiende eeuw gebouwde boerderij moest grondig worden hersteld, alvorens gesproken kon worden van de museumboerderij, zoals die volgens de plannen er uit zou moeten zien.

    Burgemeester Gelinck was, zowel uit cultuur-historisch gezichtspunt alsook vanwege de doelstelling meer “vreemdelingenbezoek” in de gemeente te realiseren, zeer enthousiast. Zijn medebestuurders waren echter zeer verdeeld. Pas na stemming in een 2e vergadering werd het voorstel de boerderij aan te kopen voor een bedrag van fl.15.000 aangenomen met acht stemmen voor en drie tegen.

    De restauratie van de boerderij, vergde tenslotte nog eens een bedrag van Fl. 50.000. Met dit bedrag kon het voorhuis in zijn oude glorie worden hersteld en kon het achterhuis in de oorspronkelijke vorm worden hersteld.

    Bij de inrichting van het boerderijmuseum werd steun verkregen van rijk, provincie, gemeente en particulieren, zodat zowel door schenkingen als ook door bruikleen en koop een aardige inventaris kon worden bijeengebracht.